Schoolstraat 29B - 9285 NE Buitenpost - T: 0511 - 541253
Frans Duits Engels Fries home

Ververswede

images[4]

Ververswede - Isatis tinctoria L.

Het is volop lente in Fryslân: de natuur barst los in een symfonie van kleuren, geuren en geluiden. Stel u eens voor, dat de kleur zou ontbreken in het plaatje dat u ziet als u aan het fietsen of wandelen bent. Voor onze beleving is kleur heel essentieel: een zonovergoten landschap met groene weiden en gele paardebloemen, lila pinksterbloemen, diepgele boterbloemen en warmrode veldzuring geeft een blij gevoel. Kleuren roepen vaak een emotie op. Wie zich prettig voelt bij blauw, kan een hekel hebben aan rood. Beleving van kleuren is dus heel persoonlijk. Daarom kiest de een voor een tuin met veel geel en oranje en wil de ander alleen maar blauw, lila, roze en witte bloemen.

Kleuren worden onderverdeeld in primaire en secundaire kleuren. Primair zijn de kleuren  rood, geel en blauw. Alle andere kleuren worden verkregen door bepaalde mengverhoudingen van deze primaire kleuren. Daarbij ontstaan eerst de secundaire kleuren: oranje, paars en groen. Ga je die kleuren ook weer mengen of voeg je de drie primaire kleuren bij elkaar, dan ontstaan bruine tinten en uiteindelijk zwart. In de regenboog zijn alle kleuren terug te vinden die wij met het blote oog kunnen waarnemen. Bovendien zijn er aan de uiteinden van het spectrum, voor ons onzichtbaar, nog infrarood en ultraviolet. Wit licht is een samengaan van alle in het spectrum aanwezige kleuren. Een primaire kleur heeft als  tegenhanger een secundaire kleur. Dit noemen we complementaire kleuren: tegenover rood staat groen, tegenover geel staat paars, tegenover blauw staat oranje. Een combinatie van dergelijke kleuren, bijvoorbeeld in de beplanting in de tuin, geeft altijd een heel plezierig resultaat, minstens zo harmonieus als een beplanting met pasteltinten.

Kleurstoffen
Kleuren bij planten en bloemen hebben nog een andere functie dan het strelen van het menselijk oog. Insecten, bijen, zweefvliegen, vlinders en wat dies meer zij, worden door de vaak felle kleuren van de bloemen aangetrokken en weten door deze signalen precies waar zij hun voedsel kunnen halen. Zo komen nachtvlinders af op het fosforescerende geel van de teunisbloemen die in de avond pas opengaan en tegen de ochtend verwelken.
Een derde aspect is de kleurstof die tal van planten kunnen afstaan en waar sinds mensenheugenis gebruik van is gemaakt. Onze voorouders beschilderden er al hun gezichten mee om er indrukwekkender uit te zien. Een gebruik, dat nog bij veel oude culturen in zwang is, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van rituele dansen of krijgerceremoniën. Zo'n 2000 jaar voor Christus ontdekte men in China technieken om vezels en stoffen te verven. Van daaruit breidde de kunst van het textielverven zich uit naar India en nog later naar Klein-Azië en Europa.

In De Kruidhof is een van de zeventien thematuinen gewijd aan oude verfplanten. De planten in deze Verfplantenborder werden vooral in West-Europa gebruikt voor het verven van wol en linnen, voordat in de 19e eeuw de chemische industrie pigmenten en verfstoffen ontwikkelde, die een eind maakten aan het bedrijfsmatige gebruik van verfplanten. Tegenwoordig zijn het alleen nog deskundige liefhebbers die werk maken van het verven  met natuurlijke kleurstoffen. Wol- en zijdeverfsters komen ieder jaar naar Buitenpost om haar producten te tonen en te verkopen op de Natuurmarkt die De Kruidhof organiseert.

De ververswede
Het verhaal van een van die oude verfplanten wil ik u niet onthouden. Het gaat over de wede, ook wel ververswede genoemd. De officiële naam van deze plant is Isatis tinctoria L., waarbij de L. staat voor Linnaeus, de naamgever. De tweede naam, "tinctoria", geeft aan, dat dit een plant is om mee te verven, waar een verfstof uit bereid kan worden. Andere bekende verfplanten zijn de Anthemis tinctoria (verfkamille) en de Rubia tinctorum (meekrap). De wede maakt deel uit van het geslacht Isatis, dat op zijn beurt hoort bij de  Brassicaceae, de familie van de Kruisbloemigen, waarin we behalve alle koolsoorten ook een lentebode als de pinksterbloem aantreffen.

Een kruisbloemige dus, die bloeit in mei en juni met stralend gele, vrij kleine bloemetjes. Daar zijn er wel heel veel van in uitbundige pluimen. Dus het lijkt een gele zee, net als in de jaren zestig het koolzaad in de IJsselmeerpolders. De wede is een overblijvende plant, waarvan voor de verfbereiding de jonge bladeren geoogst werden. Later in het seizoen volgde een tweede en een derde pluk. De bladeren werden in een afgesloten kuip met kokend water gefermenteerd. Een procédé, dat vrij nauwkeurig moest worden begeleid. Tenslotte kon er van de pulp een bal gevormd worden, die deed denken aan een ruwe klomp klei. Deze bal, gedroogd en liefst een paar jaar oud, is het product, waarmee de textielverver aan de slag gaat. Wede bevat als kleurstof het indigo, waarmee textiel blauw geverfd wordt. Door de bal op te lossen in een bad, waaraan behalve zemelen ook loogstoffen worden toegevoegd, komen de kleurstoffen vrij. De stoffen of garens worden hierin te weken gelegd. Traditioneel gebeurde dit op zaterdagmiddag, waarna de stoffen gedurende de zondag ingeweekt werden. Op de vroege maandagmorgen haalde men het verfbad leeg. De stof was nu helemaal geel geworden! Ja, dat leest u goed: geel. Op maandag, wasdag, kwam het goed aan de lijn en in het (zon)licht te hangen. En dan geschiedde het wonder: de kleur veranderde in een prachtig diepblauw, dat zich niet meer liet wegwassen. Voor de ververs van weleer was het werk dan voor even gedaan: zij hadden "een blauwe maandag” vrij.

Overigens moeten heel wat handen, armen, gezichten en longen kapot gegaan zijn aan deze verfindustrie. De ververs en verfsters stonden voortdurend bloot aan kwalijke dampen uit de kokend hete verfbaden en aan huidcontact met bijtende loogstoffen in de verfoplossing.

De blauwververij met behulp van wede bereikte haar hoogtepunt rond het jaar 1200 en concentreerde zich in de Lage Landen vooral in Vlaanderen en in Brabant. Zo was het in Brussel en ook in Tilburg gewoonte om urine bestemd voor de verfindustrie te verzamelen in kruiken. De loogstoffen (ammoniak!) uit de urine waren nodig om de verf te fixeren. Tot op de huidige dag heten de Tilburgers in carnavalstijd nog "Kruikezijkers".

Andere centra van deze bedrijvigheid waren het Duitse Erfurt en Lincolnshire in Engeland. In de zestiende en zeventiende eeuw begon de opmars van de indigoplant (Indigofera tinctoria) vanuit Nederlands Oost-Indië. Aanvankelijk probeerde de West-Europese textielindustrie dit tegen te houden via wetgeving, maar uiteindelijk was het een verloren zaak. De indigostruik bevat namelijk een veel hoger percentage indigo dan de wede. Zo raakte deze plant al in de vergetelheid, lang voordat eind 19e eeuw de chemische industrie ook de indigoteelt overbodig maakte.

De wede is een zeldzame verschijning geworden. In de natuur kunt u de plant nog vrijwel uitsluitend aantreffen in het stroomgebied van de grote rivieren, de Waal en de Rijn. Daarom is het goed, dat er botanische tuinen zoals De Kruidhof zijn, die deze oude cultuurgewassen in ere houden. In de Verfplantenborder kunt u ook de wede zien groeien en bloeien, stralend geel, en misschien ziet u er zelfs een oranjetipje op neerdalen om een hapje nectar te halen.

 

RSS
Bookmark and Share