Lievevrouwebedstro
De geur van ouderwets hooi
Lievevrouwebedstro - Galium odoratum L.
Wat ruikt het lekker als in het voorjaar na een tijd van droogte de eerste regen valt. De geur van de aarde vermengt zich met die van gras en bloemen. Vers gemaaid gras ruikt fris, terwijl de bloesems van meidoorn en fluitenkruid samen haast bedwelmend kunnen zijn. Rozen roepen de herinnering op aan lang vervlogen tijden: "Zo rook het vroeger bij beppe in de tuin!" Net als kleuren roepen geuren emoties op: voor een ‘vieze’ lucht loop je liever weg, een lekker luchtje, daar steek je je neus nog eens in.
Veel planten en bloemen verspreiden een geur, soms aangenaam, soms onaangenaam. De beleving daarvan is net zo persoonlijk als bij het zien van kleuren. Planten met een duidelijk aroma zijn vooral te vinden in de categorie keukenkruiden. In De Kruidhof in Buitenpost is daar een hele thematuin mee beplant: de Keukenkruidentuin. Behalve kruiden voor in de keuken zijn er in deze tuin ook kruiden te vinden, die door hun eigenschap – het verspreiden van geur – vanouds gebruikt worden in de huishouding. Zo worden met lavendel en citroenkruid geurzakjes gemaakt voor de linnenkast. En lievevrouwebedstro werd – de naam zegt het al – gebruikt als geurige opvulling van kussens en matrassen.
Bodembedekker
Galium odoratum L. is de Latijnse naam voor lievevrouwebedstro. Galium is de naam van het geslacht waartoe dit plantje behoort: de walstrofamilie. Alle leden van dit geslacht hebben ruwe stengels en ruwe, ronde zaden, die zich als klitten aan je kleding vasthechten of blijven zitten in de vacht van langslopende dieren. Misschien kent u het kleefkruid wel, dat in lange slierten door uw heg heen woekert. Andere familieleden zijn het echt walstro en het moeraswalstro, maar ook de koffieplant is verwant aan de walstrofamilie, evenals de meekrap, een oude verfplant. Bij de meeste van deze planten staan de blaadjes, variërend van zes tot negen in aantal, in kransen rondom de stengel. De bloemen zijn klein en meestal wit of geel. Lievevrouwebedstro groeit laag bij de grond, waar het de bodem kan bedekken en vanaf mei haar witte sterretjes laat stralen.
De tweede naam van lievevrouwebedstro, odoratum, betekent, dat dit een geurende plant is. In feite komt de bijzondere geur van Galium odoratum pas tevoorschijn wanneer het kruid gedroogd is. Hangt u een bosje ervan te drogen op een donker plekje, dan ziet u dat het na verloop van tijd zwart is geworden. U ruikt onmiskenbaar de geur van ouderwets hooi. De stof die voor deze geur zorgt heet cumarine, een chemische verbinding die onder andere voorkomt in kaneel. Dezelfde stof zit ook in een bepaalde grassoort, gewoon reukgras of Anthoxanthum odoratum, die vroeger algemeen voorkwam in hooilanden, maar momenteel is verdrongen door andere grassoorten zoals engels raaigras. Het is dit reukgras, Rûkersgers in het Fries, dat hooi de ‘ouderwetse’ lekkere geur geeft.
Bij de naam walstro moet u niet in de eerste plaats denken aan de walkant, hoewel dit wel een plek is, waar u vooral het echte walstro kunt aantreffen. 'Wal' is het Middelduitse woord voor wieg. Een bekende volksnaam voor Lievevrouwebedstro is dan ook "wiegstro". De legende vertelt, dat Maria de kribbe in de stal bekleedde met dit wiegstro om haar kind Jezus daarin te leggen. In ieder geval was het tot ver in de Middeleeuwen gewoonte om in de wiegjes van jonggeborenen een bosje wiegstro te leggen. Hetzelfde kruid zou ook helpen bij het genezen van zieken. Daarom moest er zo'n bosje lievevrouwebedstro, in het Duits een Marienbündel, hangen aan het hoofdeinde van het ziekbed. De zieke bad elke avond: "Heil zij u, o heilig kruid, / Maak ons tot u gezonden. / Op de Olijfberg werd gij allereerst gevonden. / Gij zijt goed voor menig wee / En heelt menige wonde. / Door der Jonkvrouw heilige tuil / Maak ons tot gezonden".
De jonkvrouw in kwestie is natuurlijk Maria, de lieve vrouwe. Voordat zij aanbeden werd was wiegstro het kruid van de Germaanse godin Freya, godin van geboorte en vruchtbaarheid. De Friese naam Frouwebedstrie lijkt wel direct te zijn afgeleid van de naam Freya, maar is natuurlijk ook meteen te verbinden met (onze lieve) vrouwe Maria, de moeder van Christus.
In de natuur zult u lievevrouwebedstro vooral aantreffen op schaduwrijke plaatsen met een voedselrijke bodem. De kruidlaag van loofbos met eiken is de meest aangewezen groeiplaats. De grootste wilde populatie in Nederland komt voor in het Savelsbos bij Margraten in Zuid Limburg. In Friesland zijn er recente waarnemingen uit onder anderen Hegebeintum, Jelsum en Wyns. De planten worden vooral gezien in de maanden april en mei, wanneer ze door de uitbundige witte bloei extra opvallen. Van september tot en met december zijn ze onzichtbaar: de bovengrondse delen zijn volledig afgestorven. De plant houdt winterrust in de bodem, maar is volkomen winterhard. Alleen in IJsland wil het plantje niet groeien!
Bloedverdunner
Het gebruik van kruiden die cumarine bevatten moet in de keuken zeer beperkt worden. Cumarine zorgt namelijk voor verdunning van het bloed en kan leiden tot inwendige bloedingen. Het wordt medicinaal toegepast in bloedverdunners. Deze worden alleen onder zorgvuldige begeleiding gebruikt. Sinds in de 19e eeuw de chemische verbinding ontdekt werd, is er steeds meer over bekend geworden. Bij dieren bleek cumarine kanker te veroorzaken. Bij mensen is dit niet aangetoond. In de jaren vijftig werd in de Verenigde Staten het gebruik van cumarinehoudende levensmiddelen bij wet aan banden gelegd. Zo is het raadzaam om het gebruik van kaneel te matigen. De maximaal toelaatbare hoeveelheid cumarine hebt u al genuttigd als u een stuk appeltaart hebt gegeten!
Het eten van lievevrouwebedstro is dus niet aan de orde. Wat wel kan, is een pijpje roken van Galium odoratum, gemengd met gelijke delen wilde munt en klein hoefblad. Daarvoor moet u het kruidenmengsel eerst een nacht laten weken in water met honing gezoet. Daarna zo snel mogelijk laten drogen in de open lucht, een koek van maken en in stukken snijden. Hierna kunt u uw pijpje opsteken. Het zou een goede remedie zijn tegen nicotineverslaving.





